De vergrijzing is geen toekomstscenario meer, maar een realiteit. Steeds meer gepensioneerden moeten worden ondersteund door een krimpende bevolking op actieve leeftijd. Zonder hervorming worden onze pensioenen onbetaalbaar en verliest het systeem zijn legitimiteit.  Want solidariteit tussen generaties kan enkel blijven bestaan als ze als rechtvaardig wordt ervaren.

Op vandaag is ongeveer een derde van de pensioenrechten gebaseerd op gelijkgestelde periodes. Dit zijn periodes waarin men niet werkt, maar wel pensioenrechten opbouwt. De beslissing om een beperking in te voeren op de aanrekening van gelijkgestelde periodes voor werkloosheid en eindeloopbaanregelingen past precies binnen de doelstelling om ons pensioenstelsel opnieuw sociaal rechtvaardig en duurzaam te maken.

Met deze maatregel voorkomen we absurde situaties waarin iemand die bijvoorbeeld zijn volledige loopbaan werkloos was, uiteindelijk een hoger pensioen ontvangt dan iemand die zijn hele leven heeft gewerkt.

Een sterker verband tussen werken en pensioen

Vanaf 1 januari 2027 zullen gelijkgestelde periodes van werkloosheid en eindeloopbaanregelingen die meer dan 40% van de loopbaan uitmaken niet langer meetellen voor de berekening van het pensioenbedrag van werknemers en zelfstandigen. Die grens daalt geleidelijk tot 20% in 2031, een niveau dat vandaag al geldt voor ambtenaren.

Het principe is eenvoudig: wie effectief werkt, bouwt pensioenrechten op. Wie gedurende lange periodes niet werkt, kan niet onbeperkt pensioenrechten blijven opbouwen alsof hij of zij voltijds actief was.

Solidariteit blijft overeind

Even belangrijk is wat deze maatregel níét doet. Periodes van ziekte en zorgverloven blijven volledig buiten beschouwing voor de begrenzing op gelijkgestelde periodes. De maatregel viseert dus geenszins mensen met gezondheidsproblemen of zorgtaken. Ze richt zich op situaties waarin een aanzienlijk deel van de loopbaan bestaat uit langdurige werkloosheid of eindeloopbaanregelingen.

Bovendien heeft de beperking enkel impact op het pensioenbedrag, niet op de opening van het recht. Ze beïnvloedt dus niet de datum waarop iemand met (vervroegd) pensioen kan gaan.

Het debat over de landingsbanen: nuance is nodig

We zien en horen steeds meer desinformatie over de pensioenhervorming. Sommigen stellen dat deze maatregel landingsbanen onmogelijk maakt of dat het pensioenverlies voor werknemers in een landingsbaan kan oplopen tot 600 à 700 euro per maand.

Dat is in ieder geval een stevige overdrijving. De jaren met een landingsbaan, waarin men bv. halftijds of 4/5de werkt, tellen nog steeds mee om zonder malus op vervroegd pensioen te kunnen gaan. Ook de niet-gewerkte dagen in een landingsbaan blijven gelijkgesteld voor de pensioenopbouw, weliswaar niet aan het volledige voorheen verdiende loon, maar aan een lager forfaitair bedrag. Pas wanneer het totale aandeel van langdurige werkloosheid, SWT en niet-gewerkte dagen van een landingsbaan samen meer dan 40% (vanaf 2027) of 20% (tegen 2031) van de loopbaan uitmaakt, wordt de gelijkstelling begrensd en het deel daarboven niet mee in rekening genomen. In een loopbaan van 42 à 45 jaar gaat dit over een begrenzing tot maximaal 17 à 18 jaar gelijkstelling (vanaf 2027) die daalt naar maximaal 8 à 9 jaar gelijkstelling (tegen 2031). De beperking gaat dus absoluut niet over 55- of 60-plussers die aan het einde van hun loopbaan enkele jaren in een deeltijdse landingsbaan hebben gewerkt, zoals de vakbonden en een aantal krantenkoppen laten uitschijnen.

Een kwestie van vertrouwen

De kern van de maatregel gaat naast het betaalbaar houden van de pensioenfactuur vooral om het herstellen van een evenwicht tussen solidariteit en verantwoordelijkheid.

Wie decennialang voltijds werkt, mag verwachten dat zijn of haar pensioen dat ook weerspiegelt. Wie gedurende lange periodes niet actief is, kan rekenen op sociale bescherming, maar niet op een pensioenopbouw die gelijk is aan deze bij effectief gewerkte jaren.

Als we willen dat jonge generaties blijven geloven in ons repartitiestelsel, moeten ze het gevoel hebben dat inspanningen ertoe doen. Dat werken loont. Dat het systeem coherent en billijk is.

De beperking op de gelijkgestelde periodes is geen harde bestraffing, maar een noodzakelijke correctie. Ze versterkt het verband tussen arbeid en pensioen, en beschermt tegelijk wie echt bescherming nodig heeft. Dat is geen afbraak van solidariteit. Dat is solidariteit toekomstbestendig maken.